Mobiele airconditioners die kunnen koelen en verwarmen werken in beide seizoenen goed als het koelvermogen bij de ruimte past en de verwarmingsstand geschikt is voor de plaatselijke winter. In de zomer voert de compressor warmte en vocht via de afvoerslang af; bij zacht winterweer kan een omkeerbare warmtepomp efficiënt warmte naar binnen verplaatsen.
Bij koud weer zijn de prestaties minder betrouwbaar. Het vermogen en rendement van de warmtepomp nemen af naarmate de buitentemperatuur daalt. Sommige apparaten schakelen dan over op minder efficiënte elektrische verwarming of stoppen onder hun opgegeven bedrijfsgrens. Controleer het verwarmingsvermogen en de minimale buitentemperatuur en ga er niet vanuit dat een BTU-waarde voor koelen ook de winterprestaties voorspelt.
Deze apparaten zijn vooral nuttig als één toestel de tussenseizoenen, een logeerkamer of een korte koudegolf moet overbruggen. Bij aanhoudende vorst of voor verwarming van de hele woning zijn een vaste warmtepomp of afzonderlijke verwarming doorgaans stiller, efficiënter en veiliger bij continu gebruik.
Bij welke buitentemperatuur wordt verwarmen met een warmtepomp minder effectief?
De warmtepompverwarming van een mobiele airconditioner verliest doorgaans merkbaar aan effectiviteit wanneer de buitentemperatuur ongeveer 5–7 °C nadert. De precieze grens hangt af van het koelcircuit en de specificaties van de fabrikant. Onder die temperatuur kan het apparaat minder warmte leveren, langer draaien of een aanvullende elektrische verwarming gebruiken.
Gebruik het gepubliceerde werkingsbereik als beslissende grens, niet een algemene temperatuurregel. Moet het apparaat tijdens nachten rond het vriespunt verwarmen, controleer dan het opgegeven verwarmingsvermogen bij lage buitentemperaturen, eventuele onderbrekingen door ontdooicycli en de condensafvoer. Weerstandsverwarming blijft bij koudere lucht werken, maar verbruikt normaal gesproken aanzienlijk meer elektriciteit.